Wedstrijdreglement

Download pdf hier >>>

Versie juni 2012

Wedstrijdreglement Z.N.G.F.



Art. 1 Algemene bepalingen

1.a Golfbiljart wordt gespeeld door 2 spelers (van elk team 1) die om de beurt spelen.
Een speler die een geldig doelpunt maakt, blijft aan de beurt. Een beurt kan dus
uit meerdere stoten bestaan.
Er dient gespeeld te worden met de keuspits (pomerans). Bij iedere andere
speelwijze wordt de bal op het strafpunt geplaatst en die van de tegenstander in
het doel gestoken.
1.b In de competitie die de Z.N.G.F. organiseert wordt er gespeeld met teams
bestaande uit 4 spelers.
1.c De spelers van de teams, minimaal het aantal waarmee wordt gespeeld, worden
voor aanvang van de competitie, voor een door de wedstrijdleider bekend
gemaakte datum, vastgesteld.
1.d De spelers van beide teams spelen volgens de nummering zoals deze is
aangegeven op het wedstrijdformulier; nummer 1 van het ene team tegen
nummer 1 van het andere team enz.
1.e Het is toegestaan dat de reservespeler die op de wedstrijdkaart is ingevuld invalt
wanneer 1 der opgestelde spelers ontbreekt. Ook mag de reservespeler invallen
tijdens een wedstrijd wanneer 1 der spelers onverwacht wordt weggeroepen of
ziek wordt. Gebeurt dit tijdens een partij dan mag de tegenstander beslissen of de
lopende partij verder wordt gespeeld of in zijn geheel wordt overgespeeld. De
partij(en) van de ontbrekende speler(s) worden verloren verklaard.
1.f Een lid dat in een bepaalde speelweek een speler met een hogere letterwaarde
dan hij zelf heeft vervangt, mag in diezelfde week ook voor zijn eigen team
spelen. Uiteraard kan dit alleen voor zijn eigen vereniging en niet vaker als 2 keer
in 1 week.
1.g Speelt een speler meer dan 3 wedstrijden in een team dan wordt hij/zij
beschouwd als vaste speler van dat team en kan dan, net als de opgegeven
spelers niet meer in een lager team spelen. Tenzij deze speler een speler met een
hogere letterwaarde heeft vervangen.
Dit mag echter niet wanneer men in een lager team wil spelen. Wedstrijden voor
de Bekercompetitie tellen hierbij niet mee.
1.h De partijen van een ongerechtigde speler worden als niet gespeeld beschouwd. De
eventuele punten worden omgezet in verlies. Een ongerechtigde speler is o.a. een
speler die in een later team speelt dan waar hij/zij volgens opgave of art. 1 sub f
van dit reglement, behoort te spelen. Tenzij als voorzien in art. 1 sub f en g
mogen spelers geen 2 wedstrijden voor verschillende teams in 1 wedstrijdweek
spelen.
1.i Komt een team niet opdagen dan verliest het met de maximale score (8-0) en
wordt beboet met een bedrag van € 45,00. Komen beide teams niet opdagen
verliezen beide met de maximale score (8-0) en worden beiden beboet met €
45,00.
1.j Klachten, voorheen genoemd protesten, zullen worden behandeld onder de
voorwaarde zoals genoemd in het Tuchtrechtreglement.
Een verplaatste wedstrijd dient gespeeld te worden voor de volgende wedstrijdronde.

Art. 2 Aanvangspositie

De scheidsrechter en de speler zijn verantwoordelijk voor de aanvangspositie van
de ballen. Rode ballen bij het witte doel, witte ballen bij het rode doel.
Wanneer een vergissing betreffende de aanvangspositie na de opstoot wordt
geconstateerd dan wordt de partij gewoon vervolgd.

Art. 3 Scheidsrechters

3.a Van een scheidsrechter wordt verwacht dat deze goed op de hoogte is van de
regelementen en deze steeds correct weet toe te passen.
3.b Een scheidsrechter blijft steeds rechtopstaand in de nabijheid van het biljart en
zoveel mogelijk uit het gezichtsveld van de speler. Als de speler gaat stoten houdt
de scheidsrechter zich stil en verbiedt de doorgang aan andere personen. Hij
verplaatst zich met de speler.
3.c Hij zal noch tot de speler, noch tot het publiek het woord richten tenzij voor
gevallen voorzien in dit reglement. Indien noodzakelijk verzoekt hij het publiek om
stilte.
3.d De beslissingen van de scheidsrechter dienen tijdens het spel steeds uitgevoerd te
worden.
Neemt de scheidsrechter een beslissing die tegen de reglementen handelt dan kan
de leider namens het team protest aantekenen op het wedstrijdformulier (zie
reglement protestcommissie).
Voordat de scheidsrechter een besluit ten uitvoer brengt, deelt hij dit besluit mede
aan de speler.
3.e Een scheidsrechter die rookt boven het biljart of door woord of gebaar een speler
bevoordeeld, kan bij een klacht hierover voor onbepaalde tijd geschorst worden.
Onder bevoordelen wordt o.a. verstaan: het geven van aanwijzingen,
aankondigen van kaderspel, enz.
3.f De partij is beëindigd als een der spelers de laatste bal heeft gescoord en zich
correct van het biljart heeft verwijderd. De scheidsrechter steekt de overgebleven
bal(len) in het biljart, zodat men hiermee niet meer kan oefenen.

Art. 4 Afbreken van een partij
Indien een partij op een dood punt belandt (er komt geen verandering meer in de
spelsituatie) geeft de scheidsrechter beide spelers nog 3 beurten. Is de
spelsituatie na deze 3 beurten nog ongewijzigd, dan zal de partij worden
overgespeeld.
Van door spel is alleen sprake als de spelsituatie zowel voor als na de stoot
hetzelfde is.
De scheidsrechter geeft de laatste 3 beurten aan, beginnende bij de speler met de
witte ballen.
Bovenstaande is echter nooit van toepassing tijdens kaderspel.

Art. 5 Kleur en doel
5.a Bij wedstrijden van team tegen team, beginnen de bezoekers hun eerste partij
met rood en de tweede partij met wit.
5.b Bij individuele kampioenschappen en toernooien speelt de eerst vermelde speler
de eerste partij met wit en de tweede met rood. Voor een eventuele derde partij
spelen beide spelers een bal recht vooruit in de lengte van het biljart. De speler
wiens bal het dichtst bij de bank vanwaar gespeeld wordt terugkomt, mag kiezen
welke kleur hij wil spelen.
5.c Men speelt met de rode ballen naar het rode doel en met de witte ballen naar het
witte doel.
In beide gevallen noemen we dit verder in de tekst het eigen doel en het doel van
de tegenstander.

Art. 6 Onbehoorlijk gedrag en beïnvloeding
6.a ONBEHOORLIJK GEDRAG
Een speler die zich onbehoorlijk gedraagt verliest de partij. Op basis van het
tuchtrecht kan een klacht worden ingediend.
6.b BEÏNVLOEDING
Een speler die de tegenstander beïnvloedt wordt:
1. Eerste maal gewaarschuwd.
2. Tweede maal wordt de partij verloren verklaard.
6.c Na het stilvallen van de ballen heeft de speler 30 seconden de tijd om de volgende
stoot te doen.
De scheidsrechter kondigt de laatste 15 seconden aan. Na deze 15 seconden volgt
een waarschuwing en krijgt men nogmaals 15 seconden. Heeft de speler na deze
15 seconden nog niet gespeeld dan wordt hij/zij bestraft zoals hierna vermeld.
1. Eerste maal met een door de tegenstander aan te wijzen strafbal en verliest
men een beurt.
2. Tweede maal wordt de partij verloren verklaard.
6.d SUPPORTEN DOOR TEAMGENOTEN
1. Supporteren voor de stoot is verboden, bij overtreding:
a. Eerste maal waarschuwen.
b. Tweede maal beurtverlies voor betreffende speler.
2. Supporteren na de stoot is alleen op een normale rustige manier toegestaan.
Bij overtreding:
a. Eerste maal waarschuwen
b. Tweede maal het terugleggen van de verplaatste ballen, waarna de
tegenstander mag vervolgen.
3. Supporteren door buitenstaanders valt onder de verantwoording van de
teamleider(s) en lokaalhouder.

Art. 7 Aanvang van een partij
Een partij begint bij de oproep door de scheidsrechter. De beide spelers dienen
onmiddellijk gehoor te geven aan deze oproep door plaats te nemen op de
voorziene plaatsen.
Bij overtreding wordt men bestraft:
1. De eerste maal gewaarschuwd.
2. De tweede maal verloren verklaard.

Art. 8 Beginstoot
De scheidsrechter waarschuwt de spelers dat de partij kan beginnen, door te
zeggen: “spelers klaar” en langzaam tot 3 te tellen. Hierna spelen de spelers met
de bal op de opstootstip voor het doel gelijktijdig naar de linkerband. Deze bal
moet de breedte-as van het biljart overschrijden. De bal van de ene speler moet
vertrokken zijn voordat de bal van de andere speler de band heeft geraakt.
Voldoet 1 der spelers bij de opstoot niet aan deze regels, dan moet de
scheidsrechter de ballen op hun plaats terug leggen en begint men opnieuw.
Bij de tweede overtreding van dezelfde speler zal de scheidsrechter de bal van de
overtreder op het strafpunt leggen, waarna de tegenstander mag vervolgen. Een
speler die bij de opstoot de bal van de tegenstander tegenhoudt of van richting
doet veranderen verliest zijn/haar beurt, zijn/haar speelbal wordt op het strafpunt
gelegd en de bal van de tegenstander wordt in het doel gestoken, waarna deze
laatste mag vervolgen. Alle andere door deze stoot verplaatste ballen worden
teruggelegd.

Art. 9 Vervolgen van een partij
9.a Na de opstoot mag de speler vervolgen wiens bal de kleinste afstand heeft tot het
eigen doel.
De speler mag spelen met een bal naar eigen keuze. Komt de opstootbal echter in
de kleine driehoek terecht dan dient men met deze bal verder te spelen tot deze
de kleine driehoek heeft verlaten. Speelt men met een andere bal dan wordt deze
andere bal op het strafpunt gelegd, alle eventueel verplaatste ballen worden op
hun plaats teruggelegd en de tegenstander vervolgt de partij.
9.b Scoren beide spelers de opstootbal, dan vervolgen beiden met een volgende bal
naar eigen keuze en spelinzicht volgens art. 8 en wordt vervolgd volgens art. 9
sub a.
9.c Indien een speler een stoot uitvoert alvorens de bal(len) uit de voorgaande stoot
stilliggen, verliest hij/zij de beurt en worden alle door deze stoot verplaatste
ballen teruggelegd.
9.d De scheidsrechter geeft duidelijk aan of de opstootbal zacht gespeeld dient te
worden, dan wel hard mag.
9.e Indien 1 der spelers het wenselijk acht zal de ligging van de ballen worden
opgemeten door een teamgenoot van de verzoeker. Dit met gebruik van de
meetapparatuur en onder toezicht van de scheidsrechter. Indien een te meten bal
wordt aangeraakt (tenzij de nieuwe meetapparatuur wordt gebruikt), wordt er
beslist in het nadeel van de aanvrager.

Art. 10 Scoren
10.a BAL OP DE RAND VAN EEN DOEL
1. Wanneer een bal op de rand van een doel terechtkomt en in het doel verdwijnt
vóórdat hij stil ligt wordt dit als een geldige score beschouwd.
2. In alle andere gevallen, behalve wanneer de bal aangespeeld wordt, is het een
ongeldige score. De bal wordt door de scheidsrechter afgehaald en op de
plaats terug gelegd.
10.b GELDIGE EN ONGELDIGE SCORE
1. Een normaal bespeelde bal van de speler die in het doel verdwijnt, is een
geldige score.
2. Een normaal bespeelde bal van de tegenstander die in het eigen doel of in het
doel van de tegenstander verdwijnt, is een geldige score.
3. Een val van de speler die in het doel van de tegenstander verdwijnt, is een
ongeldige score. De gedoelde bal of ballen worden afgehaald en op het
strafpunt gelegd.
a. De speler verliest zijn/haar beurt.
b. De speelbal wordt afgehaald en op het strafpunt gelegd.
4. Scoort men in een stoot zowel een bal van de tegenstander als een eigen bal
in zijn eigen doel, dan mag men vervolgen met de volgende stoot. Hadden
beide spelers nog maar 1 bal, dan wint die speler wiens laatste bal het eerste
in het doel is verdwenen.
5. Scoort men in een stoot een eigen bal in het doel van de tegenstander en een
andere eigen bal in het eigen doel, dan wordt de bal die in het doel van de
tegenstander is gedoeld afgehaald en op het strafpunt gelegd waarna de
speler mag vervolgen met de volgende stoot.
6. Een bal in de nabijheid van de doppen op de lengte-as van het biljart mag met
een harde, snelle doch reglementaire stoot gedoeld worden.
Ligt de speelbal vast (m.u.v. de voorste helft van de dop, het dichtst bij het
doel) mag geen rechtstreekse doelpoging ondernomen worden, m.u.v. een
massé.

Art. 11 Doelpoging met een bal dicht bij het doel
11.a Een doelpoging met een harde en snelle doch reglementaire stoot is toegestaan,
ook als de bal in de kleine driehoek ligt en de doeldop raakt.
11.b Een harde en snelle stoot is niet toegestaan met een bal dichter bij het doel dan
de stippellijn en waarmee rechtstreeks een doelpoging wordt gedaan. Deze bal
moet men zacht naar het doel spelen of pikeren/masseren. De stootworm waarbij
met geheven keu de speelbal gewoon voorwaarts geduwd wordt is een doorstoot.
In het geval de speelbal geen bocht beschrijft (massé) of niet voorwaarts
gespeeld en dan teruggehaald wordt (piqué), is een harde en snelle stoot
verboden.
11.c Een bal op de lijn van de kleine driehoek of op de stippellijn wordt behandeld als
onder art. 11 sub a.
11.d Indien een speler niet voldoet aan een van deze punten zal:
1. De speelbal van de overtreder op het strafpunt worden gelegd.
2. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
3. De tegenstander mag vervolgen.

Art. 12 Over stoppen of ballen spelen
Indien een speler rechtstreeks over stop(pen) of bal(len) speelt, worden alle door
deze stoot verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd. De speelbal wordt op het
strafpunt gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
Onrechtstreeks over stop(pen) of bal(len) spelen wordt niet bestraft.

Art. 13 Bal uit het biljart, op band of stop
13.a Wanneer men een eigen bal uit het biljart speelt, wordt deze op het strafpunt
gelegd.
Alle andere ballen blijven liggen en de tegenstander mag vervolgen.
13.b Wanneer men een bal van de tegenstander uit het biljart speelt, wordt deze door
de scheidsrechter in het doel gestoken. Alle ballen blijven liggen, waarna de
tegenstander mag vervolgen. Scoort met in deze beurt een geldig doel, dan mag
men zelf vervolgen.
Wanneer dit bij een balverhouding van 1 tegen 1 gebeurt, dan is de speler die
gestoten heeft verloren.
13.c Een bal die op een stop, houten band of doelkap blijft liggen, wordt beschouwd als
zijnde uit het biljart. Er dient gehandeld te worden als onder art. 13 sub a of b.
13.d Een bal die op een stop, houten band of doelkap terecht komt en daarna weer in
het speelveld terugloopt wordt niet bestraft, maar als een reglementaire stoot
behandeld.

Art. 14 Een bal die klemt
14.a Een bal die tussen de doeldoppen geklemd blijft, wordt als gescoord geteld. De
scheidsrechter steekt de bal in het doel.
14.b Een bal die klemt tussen twee stoppen van het middenveld wordt door de
scheidsrechter losgemaakt in de richting vanwaar hij is gespeeld.
Dit geldt ook voor een bal die tussen korte band en doeldop klem gespeeld wordt.

Art. 15 Voet op de grond tijdens het spelen
Bij het uitvoeren van een stoot moet minstens 1 voet de grond raken. Bij
overtreding worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd, waarna de
tegenstander mag vervolgen.
Gebeurt dit tijdens het kaderspel, dan wordt de speelbal op het strafpunt gelegd.

Art. 16 Roken boven het biljart
Roken tijdens het uitvoeren van een stoot is ten strengste verboden. Geeft een
speler geen gehoor aan de eerste waarschuwing van de scheidsrechter, dan
verklaart deze de tegenstander gewonnen voor deze partij.

Art. 17 Spelen op eigen bal
17.a Indien men rechtstreeks op een eigen bal speelt, is het volgende van toepassing:
1. Verliest men de beurt
2. De speelbal wordt op het strafpunt gelegd.
3. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
17.b Wanneer de speelbal vast tegen een stop of band ligt, mag men niet rechtstreeks
via deze stop of band op een eigen bal spelen. Dit wordt bestraft als onder art. 17
sub a.

Art. 18 Mikken en/of spelen met de bal van de tegenstander
18.a Mikken op de bal van de tegenstander is niet toegestaan. Onder mikken wordt
verstaan: zich achter de bal van de tegenstander opstellen met de keu in een
stand om te spelen.
Bij overtreding verliest men de beurt. De scheidsrechter dient, indien mogelijk,
het spelen met deze bal te beletten.
Bovenstaand is niet van toepassing als 2 ballen dicht bij elkaar liggen en men
moet over de bal van de tegenstander heen spelen.
18.b Indien men met de bal van de tegenstander speelt, is het volgende van
toepassing:
1. Verliest men de beurt.
2. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
18.c Bovenstaande gebeurt ook tijdens het kaderspel. Door het terugleggen van de
bal(len) is de speler niet van kader veranderd waarna de scheidsrechter een bal
van de overtreder die door de tegenstander is aangewezen, op het strafpunt legt.
De tegenstander vervolgt de partij.
18.d Indien de laatste bal in de aanvalsdriehoek ligt en men mikt of speelt met de bal
van de tegenstander of speelt niet binnen de gestelde tijd, is het volgende van
toepassing:
1. Verliest men de beurt.
2. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
3. Wordt de bal op het strafpunt gelegd.

Art. 19 Bal van richting veranderen/tegenhouden
19.a Wanneer een speler, na te hebben gespeeld, 1 der eigen ballen tegenhoudt of van
richting doet veranderen, dan wordt deze bal op het strafpunt gelegd. Alle door
deze stoot verplaatste ballen worden op hun plaats teruggelegd, waarna de
tegenstander mag vervolgen.
19.b Indien het een bal van de tegenstander betreft, wordt de speelbal van de
overtreder op het strafpunt gelegd.
Alle door deze stoot verplaatste ballen worden op hun plaats teruggelegd, waarna
de tegenstander mag vervolgen.

Art. 20 Touché
20.a Indien een speler 1 of meerdere ballen van zichzelf of van de tegenstander
aanraakt, hetzij met een ander deel van de keu dan de keuspits, hetzij met een
lichaamsdeel of kledingstuk, dan worden alle verplaatste ballen op hun plaats
teruggelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
TIJDENS HET KADERSPEL IS ECHTER HET VOLGENDE VAN TOEPASSING:
20.b Bij een touché op een eigen bal worden alle verplaatste ballen op hun plaats
teruggelegd, met het gevolg dat men niet van kader is veranderd. De
scheidsrechter legt de (eerst) getoucheerde bal op het strafpunt, waarna de
tegenstander mag vervolgen.
20.c Bij een touché op een bal van de tegenstander worden alle verplaatste ballen op
hun plaats teruggelegd, de tegenstander wijst een bal aan die door de
scheidsrechter op het strafpunt wordt gelegd en vervolgt.

Art. 21 Doorstoot
21.a Indien de keuspits nog in aanraking is met de speelbal op het moment dat deze
een andere bal, stop of band raakt, noemt men dit een doorstoot. Een doorstoot
wordt als volgt bestraft:
1. Met verliest de beurt, de tegenstander vervolgt.
2. Wordt de speelbal op het strafpunt gelegd.
3. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
21.b De scheidsrechter deelt de speler mee of de bal(len) de band, stop of elkaar
raken.
In dat geval mag de ene bal niet van de speelbal af bewegen anders is het een
doorstoot.

Art. 22 Definitie van een beurt c.q. stoot
22.a Een beurt begint als alle door de tegenstander verplaatste ballen stilliggen en deze
niet heeft gescoord of zoals voorzien in dit reglement.
22.b Een stoot begint op het moment dat de keuspits de bal raakt en eindigt als alle
door deze stoot verplaatste ballen stilliggen en men zich correct van het biljart
verwijderd heeft.

Art. 23 Bal(len) in de verdedigingsdriehoek
23.a Komt er tijdens de partij een bal in de eigen verdedigingsdriehoek terecht, dan zal
deze er in de eerst volgende beurt van de speler rechtstreeks of onrechtstreeks
uitgespeeld moeten worden. De bal mag wel via de band, stop of bal in de
verdedigingsdriehoek terugkomen. Indien in deze beurt de bal de
verdedigingsdriehoek niet heeft verlaten, zal de scheidsrechter deze op het
strafpunt te leggen, waarna de tegenstander mag vervolgen.
23.b Het staat de speler vrij de bal in de verdedigingsdriehoek te laten liggen en een
andere bal te spelen. Hij kan deze ook gebruiken om 1 of meerdere ballen te
doelen. Wanneer echter de beurt voorbij is en een bal die in de
verdedigingsdriehoek lag er niet uitgespeeld is, als onder art. 23 sub a, zal de
scheidsrechter deze bal op het strafpunt leggen.
Alle andere ballen blijven liggen en de tegenstander mag vervolgen.
23.c Liggen 2 of meerdere ballen in de eigen verdedigingsdriehoek, dan moet de speler
in de eerstvolgende beurt minstens 1 bal eruit spelen en bij de volgende beurt de
volgende enz.
Verkiest de speler de ballen te laten liggen, dan worden ze allen door de
scheidsrechter op de strafpunten gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
23.d De bal(len) van een speler die in de verdedigingsdriehoek van de tegenstander
terechtkomen, mogen erin blijven liggen, ook indien ermee gespeeld wordt en dit
zowel voor als tijdens het kaderspel.
23.e Een bal op de lijn van de verdedigingsdriehoek ligt in deze driehoek en wordt
behandeld als onder art. 23 sub a.

Art. 24 Kaderspel
24.a Voor de toepassing van het kaderspel is het biljart verdeeld in 14 kaders, met
inbegrip van de verdedigingsdriehoek (zie figuur 1).
24.b Het kaderspel begint wanneer 1 van de spelers nog maar 1 bal heeft.
De aanvang van het kaderspel mag niet worden aangekondigd door de
scheidsrechter.
24.c Artikel 23 heeft voorrang op artikel 24 en dit zowel voor de verdediger die in de
eigen verdedigingsdriehoek ligt, alsook voor de aanvaller (art. 23 sub d).
24.d Bij iedere stoot tijdens het kaderspel moet minstens 1 bal het kader verlaten
hebben, dit kan ook een bal van de tegenstander zijn. Gebeurt dit niet, dan zal de
speelbal van de overtreder op het strafpunt worden gelegd, waarna de
tegenstander mag vervolgen.
De verdedigingsdriehoek telt tijdens het kaderspel voor de verdediger niet meer
als kader. Het terug verdedigen van het grote kader naar de verdedigingsdriehoek
is dus een kaderfout.
24.e Indien 2 ballen (aanvaller en verdediger) in de driehoek liggen volstaat het dat
beide ballen de driehoek verlaten, of de speelbal dient het grote kader te verlaten
(gezien vanuit de verdedigende bal).
24.f Wanneer een bal zich op de scheidingslijn van een kader bevindt, volstaat het
deze rechtstreeks of onrechtstreeks te verlaten. Bij overtreding wordt de speelbal
op het strafpunt gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen. Wanneer een bal
op de lijn van de verdedigingsdriehoek van de tegenstander blijft liggen, ook als
er mee gespeeld werd, wordt niet bestraft.
In geval van twijfel (bal dicht bij de lijn) is de speler verplicht aan de
scheidsrechter te vragen in welk kader de bal zich bevindt. Bij overtreding worden
alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd en vervolgd de tegenstander.

Art. 25 Fouten door derden
Een fout door derden veroorzaakt, mag de speler niet worden aangerekend. Ballen
die door bovenstaande fout(en) worden verplaatst, worden door de scheidsrechter
teruggelegd en de speler blijft aan de beurt.

Art. 26 Vliegeren
Vliegeren met een bal die ligt tussen de lange band en de op 9,2 cm parallel
getrokken lijn, is niet toegestaan. Bij overtreding:
1. Verliest men de beurt.
2. Alle ballen worden op hun plaats teruggelegd.

Art. 27 Koppelwedstrijden
Bij de eerste partij bepaald het koppel zelf wie er opstoot. De tweede partij stoot
de andere speler op. Bij een eventuele derde partij bepaalt het koppel zelf wie er
opstoot.
Het koppel wiens bal het dichtst bij het doel komt blijft aan de beurt. De tweede
speler vervolgt de partij.
Doelt een speler bij de opstoot, dan vervolgt dezelfde speler. De spelers spelen
om de beurt, scheidsrechter en spelers zijn verantwoordelijk voor de juiste
volgorde.
Er mag onderling overlegd worden, mits:
1. Er niet op het biljart gewezen of aangeduid wordt.
2. Er niet langer dan 30 seconden gewacht wordt alvorens te spelen.
3. De speler die niet aan de beurt is, mag niet mikken of de bal (onder mikken
wordt verstaan: zich achter de bal opstellen met de keu in een stand om te
spelen).
De scheidsrechter dient, indien mogelijk, het spelen met deze bal te beletten. Bij
overtreding van bovenstaande:
1. Verliest het koppel de beurt.
2. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
3. Gebeurt dit tijdens het kaderspel dan wijst de tegenstander een bal aan die
door de scheidsrechter op het strafpunt wordt gelegd. De tegenstander
vervolgt de partij.

Art. 28 Meten
Meten van ballen dient te geschieden met de daarvoor bestemde meetapparatuur.
Om te bepalen aan welke zijde van de lijn een bal zicht bevindt gebruikt men
bijvoorbeeld de spiegel.
Om de afstand tot het doel te bepalen gebruikt men de afstandmeter. In de
(beker) competitie meet een teamgenoot van de aanvrager, tijdens toernooien
mag de speler zelf meten onder toezicht van de scheidsrechter.

Art. 29 Strafpunten
29.a Een bal die op het strafpunt dient te worden gelegd plaatst men in de hoek
gevormd door de doelstop en de korte band, zodanig dat hij de korte band raakt
en +/- 3 millimeter van de doelstop ligt. De bal dient bij het doel van de
overtreder te worden gelegd. Men dient rekening te houden met het feit of de bal
vertrokken is op de linker of rechterhelft van het biljart. Een te bestraffen bal die
op de aslijn vertrokken is wordt links bestraft.
29.b Indien het niet mogelijk is een bal op het aangewezen strafpunt te plaatsen,
neemt men de strafpunten in de volgende volgorde:
1. Hoek gevormd door korte band en doelstop, maar aan de andere zijde van het
doel.
2. In het middenkader en rakend aan de tweede stop vertrokken op de aslijn van
het doel van de overtreder.
3. Achter en rakend aan de 2 stoppen van 1 van de 2 vleugels op de breedte-as
vertrokken van het doel van de overtreder. Hierbij dient men rekening te
houden met het feit of de te bestraffen bal vertrokken is van de linker of
rechterhelft van het biljart.

Figuren:
Figuur 1. Schema voor het aanbrengen van de kaderlijnen.
De pijltjes geven de richting aan naar welk punt men dient te richten voor het vormen
van de driehoeken.

Figuur 2. Kaders en driehoeken
1/6
Afstand doeldoppen 78

Figuur 3. Middelste opstootstip is top grote driehoek
De stippellijn voor hard/zacht telt allen in het grote (midden)kader.

Figuur 4. Strafpunten
Eigen doel

Copyright © 2014 zngf. Alle rechten voorbehouden.
 
Goto Top